Kunstmuseum aan zee Collecties van
de Vlaamse Gemeenschap
en
Stad Oostende

 

Poëzie is nog niet uitgestorven op deze aarde. Ze blijft verder leven want de aarde, die we delen en die ons deelt, vervolgt zijn verhaal. 
 
M’barek Bouhchichi
 
 
De  solotentoonstelling van M’barek Bouhchichi in Mu.ZEE is een voortzetting van het onderzoek dat de kunstenaar rond de dichter en muzikant M’barek Ben Zidaheeft opgezet. In CHANT DES CHAMPS/LIED VAN DE VELDEN/AMARG N IGRAN ontvouwt Bouhchichi een geschrift dat inspireert. De tentoonstelling brengt een selectie van nieuwe producties samen die via een muzikaal en geïmproviseerd narratief naar autonome verhalen verwijzen. Binnen de context van het museum suggeren ze een spel van afstand en nabijheid tussen de kunstenaar en Ben Zida met zijn gedachtegoed en poëzie. Hun dialoog bestaat uit een conceptueel spel van overeenkomsten tussen Bouhchichi en Ben Zida. Zo zijn de gepresenteerde werken op een niet-lineiare manier verbonden met waarnemingen, de retranscriptie van denkbeelden, de poëzie en de muziek. 
 
Imdyazen #2 en Imdyazen #3 (2018) zijn twee ensembles waarvan de titels verwijzen naar de Imdyazen, “ (...) een gilde van rondreizende dichters en acteurs (...) die zich enkel vestigen in het landelijk gebied waar de taal Tashelhiyt wordt gesproken, een van de drie Berberse talen in Marokko”. Imdyazen #2 bestaat uit zeven stokken die ambachtelijke materialen en technieken zoals hout, tin en koper samenbrengen. Bepaalde delen van bevatten poëtische fragmenten in Tifinagh die gebeiteld zijn op het oppervlak. Ze schommelen tussen techniek en materiaal, tussen woorden en vormen. De (verhaal-)lijnen die de kunstenaar suggereert zijn onregelmatiger en ontsnappen aan een bepaalde vorm van verticaliteit. In de tweede groep, Imdyazen #3, zie je dertien stokken die bovenaan volledig bedekt zijn met geelkoper en onderaan met roodkoper. Ze worden in de tentoonstellingsruimte verticaal gepresenteerd, waardoor ze op muzikanten lijken. De kunstenaar ontwikkelt op deze manier twee ritmische verhaallijnen. Sommige gesuggereerde lijnen zijn recht, andere kruisen elkaar en het wordt onmogelijk om er een rationeel verdwijnpunt in te vinden. De tentoonstelling is een manier om de ruimte te bewonen zonder ze te bewonen. Deze hypothese is een verwijzing naar ‘het spreken’, naar de expressie van het individu van de binnenkant naar de buitenkant. Of omgekeerd, als een individu die heel veel informatie ontvangt. Daarin doet Bouhchichi onrechtstreeks een beroep op het standpunt van David Hammons heeft geformuleerd tijdens een tentoonstelling in in 1993 te Bern. Hammons wilde namelijk de ideologie van het museum als vergaarbak van informatie van een bepaalde culturele specificiteit (Afro-Amerikaans, Berbers ...) in de war sturen. Het gewicht van de onderliggende boodschap bij deze twee kunstenaars brengt een kameleontisch conceptueel spel teweeg met tekens die naar makkelijk herkenbare culturele referenties verwijzen, maar die toch een letterlijke, vertakte en zelfs wrange boodschap overbrengen. In Imdyazen #2 en Imdyazen #3 verwijst de kunstenaar naar het belang van de woorden in de Berberse cultuur, die letterlijk in het werk gegraveerd staan. In lijn met deze vragen verwijzen deze werken naar het belang van het auditieve geheugen, naar de poëzie als een ruimte van hoop, waar je het woord kan nemen en protesteren (M’barek Ben Zida, Audre Lorde). 
 
Joute poétique #1 (Poëtisch steekspel #1) en Joute poétique #2 (Poëtisch steekspel #2) (2018) zijn twee werken die allebei een lichte en afneembare houten structuur hebben, met verschillende koperen lagen waarin poëzie in Tifinagh is gegraveerd. De inspiratie voor de gegraveerde lijnen is afkomstig van Berbertapijten. Op die manier wordt het werk volgens de kunstenaar een voorstelling van een 'flexibele visuele muzikaliteit'. De improvisatie die ze veroorzaken, creëert dualiteiten en brengt de verschillende lijnen bij elkaar. De boodschap die tussen de lijnen verscholen zit, gaat over de poëzie als kunst en vrije cultuurvorm. Het is op die manier, en naar het beeld van de tentoonstelling, een geïmproviseerde muziekpartituur met een muzikaliteit van de beweging die Bouhchichi opstelt door middel van losse en aanpasbare vormen. 
 
Het werk Igr/le champ/het veld bestaat uit twee houten structuren die aan elkaar zijn bevestigd. Ze stellen elk een dubbele reeks van lijnen voor die uit onregelmatige horizontale stokken bestaan. Hun methode en techniek zijn een weerspiegeling van de werken Imdyazen #2 en Imdyazen #3. Het werk van M’barek Bouhchichi gaat hier hand in hand met de aanpak van de linguïst en antropoloog Hassan Jouad. Die laatste legt zich toe op de analyse en bewaring van de als geheel verzameldemondelinge overlevering in Marokko, een werk waarvoorj hij sinds 1969 geluidsopnames maakt. In Les Imdyazen, une voix de l'intellectualité rurale (De Imdyazen, een stem van landelijke intellectualiteit) bevestigt Jouad dat “er geen onderwijstraditie, ongeacht de vorm, en geen georganiseerde overdracht van kennis is” bij de Imdyazen. Wat hij verder nog bevestigt: “Wanneer een mens zich bewust is van zijn aanleg voor poëtische taal, gaat hij op zoek naar een patroonheilige. Hij onderneemt een bedevaart naar de graftombes van bekende heiligen die erom bekend staan dat ze voor openbaringen zorgen op het vlak van roepingen. Die zijn er voor dichters, net zoals voor elk beroep waar een stukje mysterie inzit: een waarzegger, genezer, meester van getrainde dieren of een slangenbezweerder.” Op die manier herinneren Bouhchichi en Jouad ons eraan dat de materialisatie van de stem en het discours, hun overdracht en voortbestaan in de tijd en ruimte naar een plek verwijzen die tegelijk echt, maar ook symbolisch en dromerig is.
 
De vierde verhaallijn van de tentoonstelling draait om “Je suis une langue et pour l’éternité gravée sur une pierre, nul vent n’a pu m’effacer » (2018) (Ik ben een taal en zit voor altijd in een steen gegraveerd, geen wind die me kon uitwissen), een werk dat als verankeringspunt een citaat van de activist Amazigh Ouzzin Aherdan aanhaalt. Ze krijgt een vaste vorm door stenen. Sommige zijn zwart en komen uit verschillende plaatsen van de streek van Tata: Agoujgal (de geboorteplaats van de dichter), Ighrem (de plaats van de poëtische openbaring van Ben Zida), Akka en andere dorpen uit deze streek. Deze zone herbergt de grootste site van rotsgravures uit de streek en laat nog zichtbare overblijfselen uit de prehistorie zien. De stenen uit de tentoonstelling zijn opgesplitst in twee stukken, waarvan de twee helften bedekt werden met een fijne koperlaag. Voor deze tentoonstelling werden ze naast elkaar geplaatst en weer in elkaar gezet met koperdraden die de steenhelften opnieuw aan elkaar weven. Zo ontstaat er een spel van spiegelbeelden en een heroverwogen en verbonden conceptuele overeenkomst. Op die manier zijn de elementen van “Je suis une langue et pour l’éternité gravée sur une pierre, nul vent n’a pu m’effacer”, net zoals de poëzie, tussenpersonen die een vorm van volharding en letterlijkheid uitdrukken. 
 
Het werk Ilssawen wchemnin/langues tatouées/getatoeëerde talen (2018) ten slotte, bestaat uit twee elementen die verwijzen naar taal en het werkinstrument de schop. Op elke 'getatoeëerde tong' zijn gravures van twee teksten afgebeeld, die afkomstig zijn van een dialoog en confrontatie tussen Lhaj Abed O'Hammou en M'barek O'Messaoud. In het verleden veranderde Ben Zida zijn naam. Hij gebruikte de achternaam van zijn moeder, 'Zida', zodat hij zijn afstamming en de discriminatie rond zijn familiegeschiedenis en de huidskleur van zijn vader kon ontduiken. O'Hammou is een van de mensen die Ben Zida hekelt. Hij vindt dat Zida de status van dichter niet verdient en dat hij zich opnieuw moet toeleggen op zijn handwerk en de beroepsgroepen die bij zijn stand horen. Daarop geeft Ben Zida een venijnig weerwoord. Het verhaal van Ben Zida is dat van een dichter, muzikant, metselaar en pachter. Hij illustreert de subjectiviteit van een vrije vogel in een sociaal systeem waarin het schrijven van poëzie onder regels gebracht en beheerst wordt door denk- en besturingssystemen. Zo verwijzen bepaalde werken van de tentoonstelling indirect naar de arbeiders van het Zuiden van Marokko. Die bewerkten materialen zoals koper en metaal, een activiteit die op zijn beurt verwijst naar een beroepsgroep gelinkt aan de Haratin, Berberse Marokkanen en afstammelingen van zwarte slaven. De werken zijn aantekeningen die hinten naar de kwestie rond de sociale status van de dichter en muzikant: men heeft die status van Ben Zida willen afnemen, maar hij eiste hem terug op met zijn kunstwerken en muziek. Tijdens de verschillende voorstellingen van de Imdyazen in de dorpen is er een verwijzing naar een overgang van de poëzie naar de muziek. Deze elementen zijn dan weer gelinkt aan de aarde (igran/les champs/de velden). Het gaat inderdaad om seizoensgebonden dichters die van de lente tot de oogstperiode werken. Het element van de poëtische tekst in Tamazight is opgenomen in en is overal los terug te vinden in de werken van de tentoonstelling CHANT DES CHAMPS/LIED VAN DE VELDEN/AMARG N IGRAN. 
 
De kunstenaar verkent dit conceptueel spel, dat gelinkt is aan een vorm van culturele specificiteit. Die vorm houdt op zijn beurt verband met de rassenkwestie, vooral door de relatie tussen de vorm, de titel van de werken en de meer algemene context waarin Bouhchichi zijn werk en gedachtegoed wil inschrijven en ontwikkelen. Op die manier wordt het rechtstreekse gebruik van symbolen ook opgenomen in deze verhaallijn en botst de materiële drager van de betekenis met de betekenis zelf. Hammons heeft het over signifyin', eerder dan signifying: hij voegt het gewicht van woorden in de Afrikaans-Amerikaanse cultuur, met het Bargoens dat deze gemeenschap in deze specifieke context gebruikt, toe aan deze vergelijking. De dubbele betekenissen, de woorden en de poëzie worden weergegeven  in verschillende denkschema's die vrij zijn of in een overgang zitten. Ze zijn vergelijkbaar met de repetitieve liederen en bewegingen van de Imdyazen. Het werk van M’barek Bouhchichi dat bij Mu.ZEE tentoongesteld wordt, kaart via historische en hedendaagse verwijzingen de figuur van de dichter als erfgoed aan, maar ook als transhistorische discussie geleid door artistieke, politieke, persoonlijke, culturele en poëtische overeenkomsten. 
 
Phillip Van den Bossche, Karima Boudou
 
 
M’barek Bouhchichi (1975, Akka) is een kunstenaar die leeft en werkt in het Marokkaanse Tahanaout. Hij doceert kunst in Tiznit sinds het midden van de jaren 1990 en vandaag in Tahanaout. Van herinterpreteren van een zoektocht naar lege en volle ruimtes, van kleur tot de compositie van een gebaar,... , M’barek’s beginjaren als abstract schilder zijn een voorafschaduwing van zijn huidige praktijk. Zijn werk suggereert een dubbele lezing: een persoonlijke van de kunstenaar en één die openstaat voor debat en interpretatie. Via installaties, schilderijen, tekeningen of video's creëert M’barek Bouhchichi expressiemiddelen, vertrekkend vanuit een discours van het individu om te evolueren naar bredere sociale, poëtische en historische systemen. De rode draad van zijn oeuvre is een individuele expressie waarmee hij zichzelf herschrijft. Het gaat om een reflectie van handelingen die de kunstenaar kenbaar maakt terwijl hij terugkoppelt tussen concept en beleving van het werk. Zijn recente werk over de Amazigh-dichter en muzikant  M’barek Ben Zida ligt in de lijn van deze vragen. Via verschillende vrije communicatiesystemen onderhoudt Bouhchichi een dialoog die zowel dicht aanleunt bij als veraf staat van Ben Zida, tussen vorm en taal, poëzie en geschiedenis. De muziek, poëzie en kunst zijn katalysatoren die sociale en raciale dogma's kunnen ontwijken of overschrijden. Ben Zida en Bouhchichi houden de vraag open of de muzikant, dichter en kunstenaar de cultuur kunnen overtreffen om zich te ontpoppen tot een conceptueel spel en een spreekbuis in deze wereld.
 
M’barek Bouhchichi heeft deelgenomen aan tentoonstellingen, biënnales en conferenties in Marokko en het buitenland. Enkele van zijn recente tentoonstellingen: Dak’art, 13e editie van de Biënnale voor Afrikaanse hedendaagse kunst (Dakar, 2018), Documents bilingues (MUCEM, Marseille, 2017), Between walls (Le 18, Marrakech, 2017), Les mains noires (Kulte, Rabat, 2016). 


Beeld : M'barek Bouhchichi, Imdyazen (les poètes), 2018
Installation, bois, cuivre et ciselure sur cuivre
Dimensions variables
Crédit photo Alessio Mei
© Voice Gallery / artiste


Overzicht huidige tentoonstellingen »

16/06 - 04/11/2018